Apnea

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Het oog

Gebruikers waardering: / 1
LaagsteHoogste 

Anamtomische tekening van het oog

Drie ruimten

Het oog bestaat grofweg uit drie ruimtes. De voorste oogkamer, de achterste oogkamer en de glasvochtholte.

De voorste oogkamer kunnen we zelf zien en wordt aan de ene kant afgegrenst door het hoornvlies (of cornea) en de andere kant door de iris en de pupil. De achterste oogkamer (niet afgebeeld) is de ruimte tussen de lens en de iris. Beide kamers bevatten een waterige vloeistof die van de achterste naar de voorste kamer circuleert en die het hoornvlies van bouwstoffen voorziet.

De glasvochtholte

De glasvochtholte met het glasvocht (corpus vitrium) is de grootste ruimte van het oog. De inhoud is gel-achtig, en de ruimte werkt als een camera obscura, waarbij het licht geprojecteerd word op de wanden. De wanden van deze ruimte bestaan uit een uitgebreid netwerk van lichtgevoelige zenuwen. Direct achter de pupil bevindt zich de gele vlek (macula lutea) welke bestaat uit een concentratie van kegelcellen. Het middelpunt van de gele vlek wordt de fovea centralis genoemd.

De kegelcellen zijn bijzonder omdat hiermee kleur gezien wordt. Buiten de gele vlek zijn de staafjes in de meerderheid. De staafjes worden gebruikt voor het zien van contrast. Hoe verder weg van de gele vlek, hoe meer staafjes op een zenuw uiteinde gegroepeerd zijn. Het effect hiervan is dat we in de randen van ons gezichtsveld minder scherp kunnen zien. Daar staat dan wel tegenover dat bij relatief weinig ligt, we al contouren kunnen onderscheiden.

De oogzenuw

Over de lichtcellen heen lopen de zenuwuitlopers. Deze zenuwen worden op een plaats in de oogbol gebundeld en gaan dan als de oogzenuw (nervus opticus, of tweede hersenzenuw) naar onze hersenen. Op deze plek zijn er geen lichtgevoelige zenuwen, en dit gebied staat bekend als de “blinde vlek”. Omdat het echter net in het brandpunt zit hebben we daar nauwelijks last van in de dagelijkse praktijk.

De oogrok

Van binnen naar buiten zit er na de retina, de choroidea, het vaatvlies waardoor de vaten lopen die de retina van bloed voorzien. Hierachter zit de sclera, oftewel de harde oogrok. Dit bindweefselachtige vlies geeft de oogbol zijn stevigheid.

Bevestigd in aan het harde oogrok zijn de zes oogspieren. Deze oogspieren maken het mogelijk dat onze ogen binnen hun kassen alle kanten kunnen draaien. Vier van de zes spieren zitten elk aan een zijde van de oogbol, zoals bij een vierkant. Twee spieren lopen dwars over de onder en bovenkant en zorgen voor onder andere draaiende bewegingen.

De bescherming van het oog

Het oog bevindt zich in een kegelvormige ruimte, de oogkas. De bovenste en onderste wand zijn stevig, en maken deel uit van respectievelijk de schedel en het kaakbot. Het bot aan de kant van de neus is het dunst. De punt van de kegel is de plaats waar de oogzenuw de oogkas verlaat en richting de hersenen loopt.

De oogkas loopt iets naar buiten, en beschermt daardoor het oog van directe fysieke kracht. De botten van deze kas zijn de eerste anatomische bescherming van het oog.

Naast de oogkas wordt ons oog ook beschermt door de oogleden en het oogvocht over ons oog dat uitdroging voorkomt. Het is een misverstand dat het oogwit overeenkomt met de harde oogrok. De conjunctiva, een bindweefselvlies, loopt van onze wimpers door tot het hoornvlies en beschermd het oog als zodanig.

Verantwoording

In dit artikel wordt de anatomie van het oog besproken. Het artikel is een samenvatting van de medische literatuur. Het artikel is voor het laatst herzien op 24 december 2008 en is bestaat uit een literatuurstudie.

Lees meer over de anatomie van het oog op:

Het oog (bouw en functie) van het Oogheelkundig Centrum Deventer

Bronnen

  • Th.B. Voorn, R.L.A.W. Bleys, Anatomie uit: J.S. Stilma, Th.B. Voorn, Oogheelkunde, Uitgeverij Bohn Stafleu Van Loghum, Houten / Mechelen 2002. p.3-23